“Hebben jullie het een beetje warm?” was de vraag die tijdens onze eerste woonbootwinter met stip naar één schoot. Kwam het gesprek op de krakende, Oud-Hollandse winter, dan kwam het gesprek op hoe behaaglijk het nu eigenlijk was in onze schuit. Welnu, nogal behaaglijk. De boot is vrij enthousiast volgehangen met radiatoren, en in de badkamer hangt een jeugdige én enthousiaste cv-ketel die niet vies van werken is. En dus is het warm in de boot, ook al is het buiten koud.
Oesje
Die geruststelling is echter geen enkele reden om nu opgelucht adem te halen, waarde lezer. Want ook al was het binnen warm; er waren andere, winterspecifieke eigenaardigheden in én om ‘Oesje’, zoals huisbaas c.q. buurman onze woonboot liefkozend pleegt te noemen.
Zoals de waterleiding. Die moet van de wal naar het schip, dóór het water. Op die waterleiding rustte dus de loodzware taak om, bij temperaturen van handenvol graden onder nul, ons iedere dag van water te blijven voorzien en dus vooral níet, ik herhaal níet, te bevriezen. Dat was makkelijker gezegd dan gedaan. Dat snappen we heus wel. Het gedeelte van de leiding dat onder water lag, was nog niet eens zo’n probleem. Maar daar waar de leiding vlakbij de boot omhoog kroop, om in de boot richting eerdergenoemde cv-ketel te kruipen, dáár ging het mis. Dikwijls.

Niet zelden hing ik na een potige nachtvorst ’s ochtends met een waterkoker vol kokend water uit het raam, het water langzaam – en heel goed mikkend! – uit te schenken op dat kleine stukje leiding naast de boot. Sputterend kwamen de kranen binnenshuis tot leven, ik hoorde een lullig straaltje in de douche en M. kon eindelijk aan de koffie. Al snel hadden we een steevast gevulde camping-jerrycan met water op het aanrecht staan, voor het eerste kopje van de dag. Gewiekst, dat waren we, razendsnel inspelend op onze veranderende leefomstandigheden.
Kokosmatten
Dit probleem werd geflankeerd door een half dozijn kleinere ongemakjes die voor de meer ervaren woonbootbewoners om ons heen ongetwijfeld erg normaal waren. Voor ons kwamen ze echter in meer of mindere mate onverwacht, en we probeerden er zo goed mogelijk op in te spelen. Zo was daar onze parkeerplaats, waarvan we ons nooit eerder realiseerden dat deze een beetje helde. En dus probeerde ik regelmatig met kokosmatten onder mijn achterwielen, onderwijl hevig vloekend op Koning Winter, achteruit te rijden.
Er waren de vogels die slecht presteerden op het onderdeel Zoek Je Eigen Voedsel, en dus regelmatig kozen voor een vruchteloze belegering van ons keukenraam. Soms grappig, soms storend. Er waren de ijsschotsen, die al drijvend langs de metalen onderbouw van de boot schuurden wat klonk alsof God zelf de aarde in tweeën aan het scheuren was.
Pieck
Tegenover dit alles, dat achteraf bezien niet meer dan een verzameling kleinigheidjes lijkt, werden we regelmatig verrast met een prachtig besneeuwde tuin. Het mooie aan het wonen in zo’n boot is dat je het idee hebt dat je middenin de seizoenen staat. Een zomer lijkt warmer, gloedvoller; een winter strenger, Pieck-iaanser. In ruil daarvoor hang ik met liefde regelmatig uit het raam met mijn waterkoker. Warme voeten heb ik toch wel.
Tags: bevroren, gewoonboot, nachtvorst, warm, woonboot, woonbootwinter