
Druk pratend lopen we over het strand. Schelpen breken met een doffe klap onder het gewicht van onze lichamen waarna de zee hun wonden wast. Vlokken schuim blijven achter, bibberend in de wind. We schuiven door de branding en over het zand. De zon brand de zilte zeelucht in onze wangen. Onze woorden, over alles en niets tegelijk, rollen voor ons uit en stoeien met elkaar als slome zandkorrels in de wind.
Wij zijn goed in eilanden, vinden we zelf. Alles gaat er makkelijker. Eerlijker, en precies zoals ik zou willen. Ik zeg ineens dingen waarvan ik soms niet eens wist dat ik ze vond, maar die ik op de veerboot terug naar de wal als fundamentale waarheden in mijn hoofd bewaar.
Al op de boot ernaar toe begint dat gevoel. Op een eiland heerst iets vrijblijvends. Ik kan zeggen wat ik wil. Mijn woorden worden gestut door de zee, en uitgewist door de wind als het onzin blijkt.
Op deze dag worden ze gestut door de zee. Vier samengeknepen ogen turen de verte in, voorspellen wat nu die donkere vlekken in de branding zijn. Wat is het, wat zou het zijn?
Hout, meestal hout.
Ook nu. Het was een podium. Zo’n klein, lullig houten podiumpje met 1, 2 en 3 erop. Er is op gejuichd en ongetwijfeld gehuild. En nu lag het hier. Al aangevreten door de zee. Een enkele mossel had zich er op hoop van zegen aan vastgeklampt.
We schopten ertegen, en draaiden het om. Toen was het ineens een bootje: het podium bleek open van onderen. Ik moest erin, in zei ze. En ik ging. Peddelend met een naastgelegen stuk wrakhout balanceerde ik tussen hoop en vrees. Het moet er lullig uitgezien hebben. Een gure dag in februari en een jongen in een winterjas in een podium. Peddelend.
Ze drukte een paar keer af. Het moest welhaast de beste foto ooit zijn. Toen we ze op wilden halen bij de fotoboer bleken ze allemaal mislukt.
Tags: foto, mossel, podium, waddeneiland